Er komen zoveel artikelen dat ik speciaal daarvoor naast deze onhandige site van de kpn,  bezig ben met de bouw van een nieuwe site te vinden onder : www.ruudspruit.com.  De site is nog pril, maar wordt voortdurend uitgebreid. Zie je daar. 


 

Voor bladen als Herenhuis, Daphne's Diary, G-Geschiedenis en Boekenpost, schrijf ik regelmatig artikelen. Hieronder een keuze uit artikelen die in de voorbije jaren zijn verschenen.                                                                                                                                            - 'Van Kamer tot kamer'. Een artikel uit een serie van zestien over wooncultuur. In dit artikel komt de keuken aan bod.  


- 'Kleine dierkens', Hoe werd er in het verleden tegen insecten aangekeken. Aanleiding voor het artikel is een tentoonstelling over Jan Goedaert in het Zeeuws Museum en een prachtige herdruk van het boek van Maria Sibylla Merian over de insecten in Suriname  

- 'Piet de Smeerpoets', Wie was de auteur van het boek dat generaties kinderen tot schrik en vermaak heeft gediend?

- 'Denton Welch', Het tragische verhaal van de Engelse kunstenaar (schrijver en tekenaar), die in Nederland niet of nauwelijks bekend is. 

- Thomas Mann en zijn 'Dood in Venetië'.



Voor het blad HERENHUIS ben ik begonnen met een serie van 15 artikelen over de cultuurgeschiedenis van de kamers in het het huis. Het eerste artikel - De Keuken - is verschenen in Herenhuis 2017-nr. 1. De artikelen zullen later in boekvorm verschijnen bij Uitgeverij Waanders/De Kunst in Zwolle.

'VAN KAMER TOT KAMER'

  De Keuken

Water en vuur.                                                                                                                                               Een Middeleeuws huis was meestal niet groter dan één vertrek met de haard als centrale plaats. Daar werd gekookt en daar kon men zich warmen. Naarmate de huizen groter werden, kwam er een andere indeling. Aan de straatkant kwam een hoog voorhuis waarin de werkplaats of een winkel was. Daarachter lag de keuken met daarboven een opkamer waar men profijt had van opstijgende warmte uit de keuken. In de 17de eeuw verschoof de keuken naar het achterhuis of het souterrain. Voor de keuken waren twee zaken van groot belang: water en vuur. Water kwam uit de gracht of uit een put. De put was vlak voor of achter het huis en was te bereiken vanuit de keuken. Gaandeweg werd de put overdekt en ontstond een puthuis, later verbasterd tot pothuis. In de 17de eeuwse steden verdwenen de putten buiten het huis en kregen de pothuizen een andere functie. Water werd nu rechtstreeks naar de keuken geleid vanuit een put onder het huis of een regenbak op of onder de binnenplaats. In een antieke keuken vinden we vaak een pomp met twee zwengels en tuiten en soms ook nog een kraantje. Met de ene zwengel werd water opgepompt uit de put onder het huis, met de andere regenwater. Om zuiver regenwater te krijgen, werd soms ook nog een bak op zolder geplaatst in directe verbinding met de goot. Vanuit de bak liep dan een leiding naar de kraan aan de pompbak in de keuken. Het zal duidelijk zijn dat zo’n bak goed moest worden onderhouden, want een lekkende waterbak op zolder betekende een ramp. In grote steden als Amsterdam, was het water zowel uit de put, als uit de regenbak, bepaald niet zuiver. Bierbrouwers lieten daarom waterschuiten een eind de Vecht opvaren om daar helder water in te nemen. Weldra werd dat water ook aan de burgers verkocht. Daartoe lagen zogenaamde leggers in de grachten. Grote, platte, drijvende bakken waarin het water uit de waterschuiten werd overgepompt. Voor een paar centen kon je daar emmertjes water halen. Het vuur in de keuken werd vrijwel dag en nacht brandend gehouden. De rook ging niet meer door een opening in het dak, maar werd opgevangen in een schouw en geleid door een schoorsteen. Men was als de dood voor brand en daarom werd voor het naar bed gaan, een aardewerken stolp over het vuur gezet. De vlammen bleven dan smeulen en er konden geen vonken wegspatten. Na de grote Middeleeuwse stadsbranden, werd het verboden om huizen met houten wanden te bouwen. De 17de eeuwse huizen langs de grachten in grote steden waren helemaal van steen, maar in eenvoudiger buurten en in dorpen werd vaak alleen de voorgevel van steen gemaakt. De zijwanden waren nog van houten planken, meestal elkaar overlappend, ‘gepandekseld’, om inregenen en tocht te voorkomen. In de keuken was een bedstee waar een knechtje of een meisje sliep om het vuur in de gaten te houden en ’s morgens vroeg op te rakelen of een nieuw vuur aan te leggen. Er werd gestookt met hout of turf. Pas in de 19de eeuw kwam er steenkool in gebruik.  

Afwas                                                                                                                                                     De benodigde potten en pannen en het serviesgoed werden meestal niet in de keuken zelf bewaard, maar in de bijkeuken. Daar was een grote, hardstenen bak met een pomp, waar het aardewerk werd gewassen en het koper werd geschuurd. Men had ontdekt dat zuren en vetten het koper kunnen aantasten en in het voedsel terecht kunnen komen met vergiftigingsverschijnselen als gevolg. Het koper werd daarom geschuurd met zand en groene zeep. Voor fijner koperwerk bestonden allerlei recepten met ingrediënten als melk en zout, kalk met spiritus, of zuurkoolpekel vermengd met fijne as. Een 19de eeuws recept voor koperpoets bevat hertshoorn. Daarmee wordt niet de plant bedoeld, maar uit hoeven, horens en ander slachtafval, gewonnen olie. Een stinkend goedje dat ook werd gebruikt om insecten te weren. Men deed voor vijf cent hertshoorn in een potje en vulde dat aan met brandewijn. Aanbrengen met een veer en uitwrijven met een wollen doek, luidden de instructies. In 1905 werd in Engeland door de firma Reckitt en Zonen,  Brasso op de markt gebracht, dat onder meer alcohol, ammoniak en siliconen poeder bevat. Onder de schouw bevonden zich allerlei hulpmiddelen. Er hing een blaasbalg om het vuur aan te wakkeren en aan een ketting, die met een ‘haal’ (keukenhaak) op hoogte werd gesteld, konden de potten worden opgehangen. Verder waren er nog vuurbokken om het hout op zijn plaats te houden en poken en een tang. Vaak stond een braadspit opgesteld dat met de hand moest worden bediend of op ingenieuze wijze met een mechaniek aan het draaien werd gebracht. Onder het spit stond een aardewerken ‘vetvanger’. Al in de 17de eeuw stond onder de schouw soms een voorloper van het fornuis, een stenen geval met gaten waarop de pannen konden staan en daaronder een ruimte voor het vuur. Daarnaast was er in een enkel geval een oven om brood te baken. De middeleeuwse huisvrouw brouwde zelf bier en bakte haar eigen brood. Het bier brouwen werd al snel door professionele brouwers overgenomen. Het brood werd vanaf de 17de eeuw steeds meer gebakken door bakkers. Je kon een vorm met zelfgekneed deeg naar de bakker brengen of je kocht brood en koek dat hij zelf had gebakken. Telkens als er een oven werd leeg gehaald, blies de bakker op een hoorn ten teken dat er weer vers brood was.  

Leidingen                                                                                                                                           In de loop van de 19de eeuw, kwamen er diensten die het huishouden en het werk in de keuken, makkelijker maakten. In de eerste plaats de watervoorziening. Het verhaal gaat dat schrijver en politicus Jacob van Lennep op zijn buiten ‘Huis te Manpad’ in  Heemstede, genoot van het heldere duinwater dat hij zo uit de pomp kon drinken. Wat een verschil met het bocht in de steden. Hij opperde het plan om nu eindelijk werk te maken van een leiding, van de duinen naar Amsterdam. In Nederland waren de ondernemers huiverig om zo’n risico te nemen, maar een Engelse onderneming durfde het aan. Er werd een maatschappij opgericht, de latere Amsterdamse Duinwater Maatschappij en men begon met de aanleg van een 23 km lange buis die eindigde bij de Willemspoort (de huidige Haarlemmer Poort). Daar kon men voor een cent, een emmer zuiver duinwater tappen. Vandaar werd een netwerk aangelegd van leidingen door de stad. Eerst alleen langs de huizen van de welgestelden. Er werden zo dicht mogelijk bij de buitengevel, aansluitingen gemaakt. Als de keuken in het souterrain was, ging dat makkelijk. Het moet een genot zijn geweest om voor het eerst in huis, zomaar uit de kraan, helder water te kunnen tappen. De cholera-epidemieën versnelden de aanleg van waterleidingen ook in andere steden zoals Rotterdam en gaandeweg werden steeds meer huishoudens op een waterleiding aangesloten. Op een zelfde manier werd een netwerk van gasleidingen aangelegd. Het gas werd vooral gebruikt voor de verlichting. (In de aflevering ‘Woonkamer’, zal dat verder aan de orde komen). In de keuken werd nog nauwelijks op gas gekookt. Men hield het bij het kolenfornuis dat in steeds betere uitvoeringen op de markt kwam. Een bijzondere vondst was de AGA. De Zweedse geleerde en Nobelprijswinnaar Gustav Dalòn, liep bij het mislukken van een proef zwaar oogletsel op. Hij werd blind en raakte aan huis gekluisterd. Daar werd hij geconfronteerd met het getob van zijn vrouw met het fornuis. Zij kookte graag, maar het vuur in het fornuis aansteken en brandend houden was niet eenvoudig. Ondanks zijn blindheid, bedacht Dalòn een gietijzeren fornuis met twee ovens en twee hitteplaten, dat voortdurend brandde op een laag vuur. De AGA cooker werd een groot succes.   Stapje voor stapje werd het werk in de keuken vergemakkelijkt met de komst van allerlei apparaten. In onze ogen simpele dingen zoals de, met de hand bediende koffiemolen, een blikopener of de snijbonenmolen. Om bederf van het voedsel tegen te gaan, ging men over tot wecken en kwam de ijskast in huis, maar dat zal in het hoofdstuk over de kelder aan de orde komen. 


G-GESCHIEDENIS

Dit artikel is verschenen in het magazine G-Geschiedenis, naar aanleiding van de tentoonstelling over Johannes Goedaert in het Zeeuws Museum en een herdruk van het grote boek over Surinaamse Insecten van Marie Sibylla Merian.

‘KLEINE DIERKENS’

  Als ik in mijn prille jeugd niet kon slapen door het gezoem van muggen, kwam mijn moeder binnen met de flitspuit. Resoluut blies zij wolken D.D.T. de kamer in. De muggen vielen dood op de grond en ik ademde het gas in dat later kankerverwekkend zou blijken. We gaan nu heel wat milieuvriendelijker om met insecten. Er zijn zelfs insectenhotels in de handel waar bijen, hommels, vlinders en vliegen een veilig onderkomen kunnen vinden. Om bladluizen te bestrijden, kopen tuinliefhebbers zelfs larven van lieveheersbeestjes. De wondere wereld van de insecten staat in de belangstelling. 2017 wordt het ‘Insectenjaar’ met tentoonstellingen, symposia en de heruitgave van werk van geleerden en kunstenaars die zich eeuwen geleden vol verbazing met de ‘kleine dierkens’, bezig hielden.  

INSECTEN IN DE BIJBEL

Aristoteles wist het zeker; muizen ontstaan in het graan, bladluizen worden geboren in dauwdruppels, maden kruipen uit rottend vlees en vliegen komen uit het stof. Hij noemde het spontane generatie en verbaasde zich over de wondere wereld van het kleine ongedierte. Eeuwen was men ervan overtuigd dat er zomaar vormen van leven kunnen ontstaan. Degenen die zich aan het begin van de 17de eeuw bezighielden met insecten, waren theologen. De Statenvertaling had een enorme invloed. De met veel zorg tot stand gebrachte teksten werden tot op de komma bestudeerd. Er was aanleiding genoeg voor dominees om eens een preek te houden over de vlijtige mieren, de alles verwoestende sprinkhaan of het kunstige werk van de spinnen, die bovendien overal binnen wisten te dringen. Neem bijvoorbeeld teksten als: ‘Ga tot de mier gij luiaard, zie haar wegen en word wijs’(Spr. 6:6). Of: ‘En hij gaf hun gewas den kruidworm, en hun arbeid den sprinkhaan’(Psalm 48:46) een regel over de straffende hand des heren. Of de curieuze tekst: ‘De spinnekop grijpt met de handen, en is in de paleizen der koningen. (Spr. 30:28). Of de voor zich sprekende tekst: ‘Wat de rups heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan gegeten… enz. (Joël 1:4).  

DE BIJENKONING

Natuurlijk was er de imker die onder zijn ogen het wonderlijke leven van de bijen aanschouwde, de huisvrouw die ondanks haar goede zorgen maden uit het vlees zag kruipen, of het avontuurlijke kind dat rupsen ving en die tot zijn verbazing zag veranderen in poppen waar op een goede dag kleurige vlinders uit kwamen. Het zit anders dan we denken, zei de Leidse hortulanus Dirck Cluyt. (1546-1598). Hij observeerde zijn bijen en kwam tot de conclusie dat er een hoofdbij was die hij de bijenkoning noemde. De koning legde smalle langwerpige ‘zaadjes’ in de raat. De bijen droegen voedsel aan in de vorm van dauw, modder en stof uit bloemen. Daarna werd het kamertje in de raat met was afgesloten totdat een jonge bij naar buiten kroop. Aldus Cluyt in zijn boekje ‘Van de byen’, een tweespraak, zoals in die tijd gebruikelijk was, met zijn voorganger en vriend Carolus Clusius. Prompt werden de bijen onderwerp van preken en emblemata, als een eendrachtig samenwerkend volk onder de leiding van een koning.  

JOHANNES GOEDAERT

In Middelburg was Johannes Goedaert ( 1617-1668) bezeten van de metamorfose van insecten. Hij moest bestaan van zijn vak als kunstschilder, maar al zijn vrije tijd stak de goeie man – en dat moeten we letterlijk nemen want Johannes was volgens zijn tijdgenoten een beminnelijk mens – in het bestuderen van insecten. Hij verzamelde rupsen, maden en insecteneitjes en legde vol verbazing de veranderingen vast in teksten en tekeningen. Hij gaf de insecten Hollandse namen zoals Klok-luyer (Atalanta) en Gulsigaert (Kleine Vos). Zijn vrienden bewonderden zijn werk en haalden Goedaert over tot publiceren. In 1660 verscheen het eerste van drie delen met de titel: Metamorphosis Naturalis. Het derde deel verscheen in 1669, een jaar na het overlijden van Goedaert. Jan Swammerdam las het boek en haalde zijn schouders op. ‘Er staat veel onzin in’, was zijn meedogenloze kritiek. Swammerdam bestudeerde insecten met het blote oog, maar maakte ook gebruik van de microscoop. Hij beschikte zowel over een scherp oog als over een vaste hand. Hij zag kans om insecten te ontleden en hun ingewanden in nauwkeurige tekeningen weer te geven. Zo ontdekte hij dat de zogenaamde koning der bijen over vrouwelijke voortplantingsorganen beschikte en dus een koningin was. Daarmee viel het veelvuldig gebruik van de bijenmetafoor in het water. Een volk, geleid door een koningin kon immers niet vergeleken worden met de besturen van die tijd, met uitsluitend mannen aan het roer. Van Swammerdam verscheen in hetzelfde jaar 1669 zijn ‘Historia Insectorum Generalis ofte Algemeene Verhandeling van de Bloedeloose Dierkens’. Swammerdam constateerde dat zelfs de allerkleinste insecten zich geslachtelijk voortplanten en dat de leer van de ‘spontane generatie’, onzin was. De vrome geleerde, die af en toe zweefde op het randje van godsdienstwaanzin, vond de gedachte aan spontane generatie zelfs een vorm van godslastering. Het zou immers een onderschatting van de schepping zijn om te beweren dat insecten spontaan ontstaan. Swammerdam zag de hand des Heren tot in de kleinste diertjes. De afschuw van uit modder, vuil en kadavers voortgekomen schepselen sloeg om in bewondering.

BEWONDERAARS EN VERZAMELAARS

De frivole dichter en kasteelheer Jacob Westerbaen kon op zijn buiten Ockenburgh geen genoeg krijgen van het turen door een microscoop. Door een mug gestoken dichtte hij vol verbazing over het venijnige aanvalswapen van het insect: ‘Hoe dat hij met de punt van zo een dunne snuit door menig dikke huid kan boren zonder buigen, daar nog een goot in is, waardoor hij bloed kan zuigen? ‘ Gelaten noteert hij verderop: ‘De mugge zuipt mijn bloed, de vlieg komt bij mij drinken en eet van mijn kapoen (haantje) en doet de reste stinken’.   Kooplui en regenten breidden hun rariteitenverzamelingen uit met kasten vol vlinders en kevers. Zij gebruikten hun contacten met de VOC en de WIC om insecten uit Azië en Amerika te laten komen. Het kabinet van de Delftse medicus en burgemeester Henricus d’Acquet was vermaard. Maar de verzameling van Levinus Vincent overtrof alles. De handelaar in damast had een aparte zaal vol vitrines met dieren op sterk water en ladenkasten vol met insecten. Hij liet een geïllustreerde catalogus drukken die ieders verbazing wekte en ontving veel belangstellenden in zijn kabinet. Buitenlandse gasten schreven dat een bezoek aan Holland niet compleet was zonder een bezoek aan het kabinet van Vincent. Hij werd twee keer weduwnaar en toen hij voor de derde keer trouwde, had hij de pech dat zijn vrouw niets moest weten van insecten en andere ‘enge dieren’. Er zat voor hem niets anders op dan zijn collectie te verkopen. Sommige verzamelaars kozen ervoor om er als een ‘Prikkebeen avant la lettre” zelf op uit te trekken met een vlindernetje, potjes en doosjes. Verzamelaar Steven Blankaert wijdde het laatste hoofdstuk van zijn boek ‘Schouburg der Rupsen, Wormen, Maden in Vliegende Dierkens’, aan het vangen van insecten.  Als je mooie vlinders wilt hebben, moet je ze zelf uitbroeden, want ‘als sy gevlogen hebben, verliesen haar verwe (kleur) wel’. Om vlinders onbeschadigd te kunnen vangen, adviseerde hij een fijn zijden netje aan een lange stok. ‘Wanneer dan eenig beesjen stil sit, laat men het netjen daar over vallen, en men steekt door het netje een spelt in de borst van het Vlindertjen, ’t welk men dan in een doos set’. Hij had een lugubere oplossing voor het opzetten van spinnen: ‘.. wanneer men twee Spinnen by malkanderen in een doos set, soo sal de een den anderen uitsuigen, en het lighaam sal niet indroogen, gelyk het ordinaris (gewoonlijk) doet’. Insecten trokken ook de aandacht van kunstenaars als interessante bron van inspiratie.  

MARIA SIBYLLA MERIAN

Stillevens van vruchten en bloemen werden opgetuigd met een vlindertje hier en een kevertje daar. De Vlaming Joris Hoefnagel was één van de eerste kunstenaars die in zijn werk insecten afbeeldde. Anderen waren onder meer Jan Augustin van der Goes en leden van de familie Withoos. Wellicht het meest spectaculair in het genre was kunstenares Maria Sibylla Merian (1647-1717). De in een Duits kunstenaarsgezin geboren Maria had altijd al belangstelling gehad voor insecten. Ze trok als meisje al buiten de stadsmuren rond om ze te vangen. Bijgelovige stadgenoten mompelden dat het meisje een heks was. Ze maakte prachtige tekeningen die in boekvorm werden uitgegeven. Na een ongelukkig huwelijk vluchtte ze met haar moeder en dochters naar Wieuwerd om daar haar intrek te nemen in een slot waarin de sekte van de Labadisten was gevestigd en waar haar halfbroer al woonde. Daar leidde ze een hard leven waar geen plaats was voor frivoliteiten als verzamelen en tekenen. Na de dood van haar broer en haar moeder vertrok ze uit Wieuwerd om in Amsterdam te gaan wonen. Daar bezocht ze verzamelaars met befaamde rariteitenkabinetten en ging ze zich weer aan het tekenen van insecten wijden. Vlinders en andere dieren die door de West Indische Compagnie waren aangevoerd, wekten haar belangstelling. Ze besloot naar Suriname te gaan met haar dochter. Onder begeleiding van een slaaf van een bevriende plantage-eigenaar, werkte ze daar als een bezetene. Net zolang totdat tropische ziekten haar hadden gesloopt en zij zich genoodzaakt zag om terug te keren naar Amsterdam. Daar werkte zij aan haar magnum opus: de ‘Metamorphosis Insectorum Surinamensium’, een prachtig meesterwerk over de insecten, planten en dieren van Suriname, zoals de wereld nog niet eerder had gezien.


Artikel in Boekenpost


'HEINRICH HOFFMANN DE VADER VAN PIET DE SMEERPOETS’  


Struwwelpeter                                                                                                                                             Het was in de winter van 1844. Dokter Heinrich Hoffmann dwaalde door de straten van Frankfurt op zoek naar een kerstgeschenk voor zijn driejarige zoon Carl Philipp. Hij was op zoek naar een boek, met illustraties die een klein kind zouden aanspreken. Naarmate hij meer boekwinkels bezocht, groeide zijn ergernis. Boeken voor de allerkleinsten stonden vol met afbeeldingen van alledaagse dingen: een stoel, een tafel, een kast, een spiegel. Het paste in de didactiek van zijn tijd. De jongste kinderen moesten kennis krijgen van voorwerpen om hen heen. Sprookjes vond men veelal te verderfelijk voor de kleinen. Er werd zelfs gewaarschuwd voor de omgang met dienstmeiden, die de kinderen verkeerde verhalen zouden vertellen. Voor verhalen over de natuur, reizen of voorbeelden van brave kinderen was een kleuter nog te jong. Tenslotte kwam dokter Hoffmann tot verbazing van zijn vrouw, thuis met een blanco tekenschrift. ‘We maken zelf een boek’, zei hij. Met pen en potlood ging hij aan de slag. In korte tijd vulde hij het album met bonte figuren, waarvan Struwwelpeter (Piet de Smeerpoets) het bekendste werd. Het Duitse woord Struwwelkopf of Strubbelkopf heeft als betekenis: ‘Iemand met een warrige haardos’. Struwwelpeter is een jongetje dat zich niet verzorgt. Zijn haren wapperen naar alle kanten, zijn nagels groeien tot enorme lengte. De boodschap was duidelijk. Het verhaal is tamelijk onschuldig. Maar de ‘Struwwelpeter’, zoals de naam van het hele kinderboek werd, bevat veel gruwelijker verhalen. Wat te denken van het meisje dat met lucifers speelt en in brand vliegt? Alleen haar schoenen en een hoopje as blijven over na het drama. Of het meisje dat, ondanks vele waarschuwingen, op haar duim blijft zuigen? Tenslotte wordt de hulp van de kleermaker ingeroepen, die zonder scrupules de duim van de hand van het arme kind afknipt. Sinterklaas komt ook voor in het boekje. Hij ergert zich aan de kinderen die zijn zwarte knecht bespotten. Pardoes worden de deugnieten in een grote inktpot gedompeld om voortaan zwart door het leven te gaan. Onze omstreden Zwarte Piet komt trouwens meer voor in de tijd van de auteur. Hij vertelt in zijn memoires hoe kinderen bang werden gemaakt met de schoorsteenveger, zo zwart als roet. (zoals onze Zwarte Piet) Maar behalve de schoorsteenveger, gold ook de dokter met zijn naalden, mesjes en klisteerspuiten als boeman.  Het gevolg was dat kinderen het al op een schreeuwen zetten als de dokter met zijn tas de kamer binnenkwam. Hoffmann pakte dan een stuk papier en schetste een slordig jongetje waarvan de haren en de nagels almaar groeiden. De patiëntjes kalmeerden en keken nieuwsgierig naar de tekening. Overigens kwam het verhaaltje van Struwwelpeter pas helemaal achterin de eerste uitgave van het boek. Maar het jongetje met het warrige haar werd zo populair dat Struwwelpeter in de volgende uitgaven van het boekje snel naar voren werd gehaald en zelfs ‘coverstory’ werd. Het kerstgeschenk was op tijd klaar. De klein Carl was er zeer mee ingenomen, maar vrienden en familie maakten zich zorgen dat de dreumes het unieke werkje zou beschadigen. Zij waren verrukt van de Struwwelpeter en drongen er bij Hoffmann op aan dat hij het boekje zou uitgeven. Daar voelde de arts aanvankelijk niets voor. Hij wilde niet de geschiedenis ingaan als kinderboekenverkoper. Liever vroeg hij aandacht voor zijn werk in de geneeskunde. Tijdens een vriendenavond tenslotte, liet hij zich overhalen door boekhandelaar Dr. Loening, die juist met zijn compagnon Rütten een uitgeverij op poten zette. Voor de vriendenprijs van tachtig gulden deed Hoffmann afstand van het manuscript. Er werden 1500 exemplaren gedrukt, waarbij zowel de tekeningen als de geschreven tekst van Hoffmann werden gelithografeerd. Binnen de kortste keren was het boek uitverkocht en werd begonnen met een herdruk, waarna er nog tientallen zouden volgen.   

Arts                                                                                                                                                                                 Heinrich Hoffmann werd geboren op 13 juni 1809 in Frankfurt am Main. Zijn moeder overleed een half jaar na zijn geboorte. Drie jaar later hertrouwde zijn vader met de zuster van zijn overleden vrouw. Zij was voor Heinrich een liefdevolle moeder. Vader Hoffmann was als architect in dienst van de stad Frankfurt, belast met de zorg voor het onderhoud van wegen en bruggen en het aanleggen van riolen. De kleine Heinrich was een fantasierijke babbelkous. Zijn grootste genoegen was het om met zijn grootmoeder naar haar tuin even buiten de stadspoorten te gaan. Daar kon hij spitten en graven en zijn verbeelding de ruimte geven. Het waren sombere tijden. Napoleon verscheurde Europa met zijn oorlogen. Regelmatig werden er in huize Hoffmann soldaten ingekwartierd. Op een keer was er een Russische majoor in huis die de nodige lijfeigenen bij zich had. Op een dag droeg zijn dronken kok mislukte soep naar binnen. De majoor ontstak in woede. Hij liet de kok uitkleden en vastbinden en maakte zich gereed om de dronkenlap af te ranselen met een knoet. Toen kwam vader Hoffmann tussenbeide. Hij stond dergelijke afstraffingen in zijn huis niet toe. Het maakte op de kleine Heinrich een onvergetelijke indruk. Zijn schooltijd was voor het zwakke ventje een minder gelukkige tijd. Hij werd vaak gepest en geslagen.  Hij vluchtte dan naar huis en verschool zich in zijn fantasiewereld. Hij kon goed tekenen en maakte er zelf verhaaltjes bij . Op elfjarige leeftijd tekende hij zichzelf in het pakje waarin hij belijdenis deed. Een beduusd ventje dat verdrinkt in zijn frak en hoge hoed. Op het gymnasium had Heinrich het meer naar zijn zin. Ondanks het veeleisende schoolprogramma, was er tijd voor vrienden. De welbespraakte en originele Heinrich werd een graag geziene gast. In de zomer maakte hij met zijn kameraden met een minimaal budget, reisjes langs de Rijn. Iedere minuut die overbleef, besteedde hij aan lezen. Een gelukkige omstandigheid daarbij was dat de vader van een vriend een uitleenbibliotheek dreef. De tijd naderde dat er aan de toekomst moest worden gedacht met een weloverwogen beroepskeuze. De nuchtere vader Hoffmann somde alle mogelijke beroepen op, van advocaat en predikant tot leraar of ambtenaar. In schrille bewoordingen noemde hij de nadelen van elk vak. Tenslotte bleef alleen de arts over, als vriend en dienaar van de mensheid. Na ampele overwegingen werd besloten dat Heinrich medicijnen zou gaan studeren. Na wat lessen over anatomie bij een veearts, begon hij in 1829 aan de werkelijke studie in Heidelberg. Een stad vol verleidingen die uitnodigde tot allerlei vormen van vermaak, maar bepaald niet tot studeren. Gebukt onder voortdurend geldgebrek en afgeleid door feestjes en reisjes, wist Heinrich zijn studie toch tot een redelijk einde te brengen. Daarna volgde een praktijkopleiding in Halle, waar de arts in opleiding werd geconfronteerd met lijders aan cholera, ondervoeding en pokken. De pokken kwamen nog veelvuldig voor omdat de, inmiddels door dokter Jenner uitgevonden vaccinatie, nog lang niet overal werd toegepast. Heinrich boekte zulke goede resultaten, dat hij aan het eind van zijn studie een stipendium kreeg, dat hem in staat stelde om ervaring op te doen bij chirurgen en psychiaters in Parijs. Ook daar vond onze student voldoende tijd om zijn studiegenoten te vermaken met zijn tirades en satires. In 1834 keerde Heinrich hals over kop terug naar Frankfurt. Zijn vader was ernstig ziek en overleed enkele weken later. De zorg voor zijn moeder en twee zusters, rustte nu op zijn schouders. Hij kreeg een baantje bij de armenkliniek en kreeg een dorp toegewezen waar hij te voet één dag per week zieken bezocht en assisteerde bij moeilijke bevallingen. Hij trouwde in 1840 met Thérèse Donner en een jaar later werd zijn zoontje Carl Philipp geboren. Er zouden nog een dochter en een zoon volgen. Het was de kleine Carl Philipp voor wie dokter Hoffmann in 1844 zijn ‘Struwwelpeter’ schreef.  

Bestseller                                                                                                                                                                           Het lange leven van Hoffmann was vol van taken en verplichtingen. Met zijn aanvankelijk bescheiden salaris, droeg hij de zorg voor het grote gezin dat bestond uit zijn moeder, zijn zussen, zijn eigen vrouw en kinderen en dan nog zijn jong weduwe geworden zuster en haar kinderen. Hij zette zich volop in voor de geneeskundige verzorging van de armen en streefde naar de bouw van een nieuwe psychiatrische inrichting in Frankfurt. Hij schreef daartoe onder meer bevlogen artikelen in de plaatselijke krant. In 1851 kwam de inrichting tot stand. Hoffmann werd er leidend arts en nam zijn intrek in een dienstwoning. Naast zijn werk vond hij tijd voor de omgang met vrienden en zijn lidmaatschap van verschillende gezelschappen. Hij was een geliefd spreker, maakte gedichten en tekende karikaturen. Af en toe verscheen van hem een bundeltje zoals in 1853 het ‘Breviarium der Ehe’, vol brave gedichtjes over het huwelijk, zoals dat over het ‘wapen van de vrouw’, haar glimlach, maar vooral haar tranen: ‘Ein freundlich Lächeln kann schon Vieles wenden, Ein schmeichlend Bitten schliesst sich mächtig an, Und eine Thräne kann den Kampf beenden; Aus dem Gebieter wird ein Untherthan’.   Regelmatig publiceerde Hoffmann over zijn werk onder de geesteszieken. In 1859 verscheen zijn, met Duitse ‘Gründlichkeit’ samengestelde boek, over zijn omgang met zwakzinnigen. Hoffmann had daarbij de makke dat hij werkte tijdens het vacuüm in de zorg voor psychiatrische patiënten in het midden van de 19de eeuw. De ideeën van de Franse Revolutie om krankzinnigen te bevrijden van hun ketenen waren mislukt. De tijd van de psychoanalyse was nog niet aangebroken. Van medicijen was nog geen sprake. Hier en daar werd geëxperimenteerd met waterbaden en dergelijke, maar de therapie in de kliniek in Frankfurt bestond nog in hoofdzaak uit het opsluiten van patiënten die een gevaar vormden voor zichzelf en anderen. Handelbare patiënten werden te werk gesteld in de tuinen rondom het instituut zodat ze ’s avonds doodmoe in bed vielen. Ondertussen ging het succes van Struwwelpeter ongehinderd voort. De ene druk verscheen na de andere. Al in 1876 werd de uitgave van de honderdste druk gevierd. In 1917 kwam de vierhonderdste druk van de pers. Er verschenen vertalingen in het Nederlands (Piet de Smeerpoets), Engels, Frans, Zweeds en nog veel meer talen, zelfs in het Latijn. Anderen probeerden mee te liften op het succes en stelden boekjes samen zoals Struwwelliese en Struwelpaar of vermeldden op hun uitgave dat het een Struwwelpeterverhaal betrof, waarmee de Struwwelpeter tot een genre werd. Ook verschenen er parodieën zoals in 1941 in Engeland de ‘Struwwelhitler. A Nazi Story Book by Doktor Schrecklichkeit’, waarbij de verschrikkingen van Hitler werden geparodieerd met de verhaaltjes uit de Struwwelpeter.  

Ander werk                                                                                                                                                                    Heinrich Hoffmann liet zich verschillende malen verleiden tot pogingen om zijn succes met Struwwelpeter te evenaren. In 1851 verscheen ‘König Nussknacker und der arme Reinhold’. Hoffmann nam tot verbazing van de douane een koffer vol speelgoed mee van een bezoek aan Neurenberg, waaronder een houten notenkraker in de vorm van een koning. Het speelgoed zou figuren in zijn nieuwe kinderboek. Hoffmann was erg gehecht aan de uitgave van zijn Notenkraker. In het boekje trekken in de koortsdromen van een ziek jongetje, allerlei speelgoedfiguren en personages uit de Struwwelpeter voorbij. De volgende dag is het jongetje beter en vindt hij onder de kerstboom alle speelgoedfiguren waarvan hij heeft gedroomd. De auteur raakte met het boekje in de problemen toen ijverige beambten concludeerden dat een loflied op koning Notenkraker nogal leek op de Keizershymne. De verkoop werd stilgelegd. In een nieuwe druk werden de gewraakte regels geschrapt en later werd ook de ooievaar die baby’s bracht, uit de verhalen geschrapt.  In 1854 verscheen ‘Bastian der Faulpelz’, een verhaal over een luiwammes, die spijbelt en zijn tijd verlummelt. Hij eindigt dan ook als bedelaar. Het in 1858 verschenen ‘Im Himmel und auf Erde’, heeft aan het eind een echte ‘cliffhanger’. We zien een jongetje dat door een spleet in de hemelpoort loert. Hoffmann eindigt met de woorden dat hij de volgende keer ‘de sleutel van de hemelpoort’, mee zou nemen. Die volgende keer duurde te lang voor de kinderen. Pas twaalf jaar later verscheen zijn ‘Prinz Grünewald und Perlenfein’, een vrolijk boek vol feesten en smulpartijen. Hoffmann richtte zich met dit boek op zijn kleinkinderen. Niet alleen de kleintjes genoten van de boeken van Hoffmann. Bij een bezoek van keizer Wilhelm I aan Frankfurt, vertelde iemand in het gevolg dat de aanwezige dokter Hoffmann, de schrijver was van de Struwwelpeter. De keizer liet Hoffmann de volgende morgen bij zich roepen en verklaarde dat hij bijzonder genoot van de avonturen van Struwwelpeter. Voor velen is Struwwelpeter een begrip, ook in Nederland met de vertaling als Piet de Smeerpoets. Het is een raadsel waarom nu juist dit,  meer dan anderhalve eeuw geleden verschenen boek met even eenvoudige, als gruwelijke verhaaltjes, zo’n wereldsucces is geworden.


 


 


'Denton Welch'

Het miserabele leven van een estheet

Het ongeluk

Het leven van Denton Welch werd pardoes door midden geknipt op een mooie junidag in het jaar 1935. Denton was op weg naar zijn tante Edith, die was getrouwd met de dominee van het plaatsje Leigh in het graafschap Kent. De twintigjarige veelbelovende student van de Goldsmith School of Art fietste ontspannen door het heuvelachtige landschap. De magere gebrilde knaap, smal gezicht, hoog voorhoofd, grote bos krullend tikje rozig haar, genoot van alles om hem heen. Hij was een estheet die belangstelling had voor het landschap, maar vooral geboeid werd door de architectuur. Na een bezoek aan enkele kerken onderweg, dronk hij thee in een herberg en stapte opgewekt weer op zijn fiets voor het laatste stukje van de tocht. Toen gebeurde het. Een onoplettende dame die hem in haar auto achterop kwam, schepte Denton in volle vaart. Zwaar gewond belandde hij bewusteloos in het gras langs de berm. Toen hij weer bijkwam stond een politieman over hem heen gebogen. “Ik hoorde een stem door een enorme wolk van pijn en misselijkheid. De stem stelde vragen. Hij leek open en dicht te gaan als een trekharmonica. De woorden waren luid als de aanzwellende klanken van een orgel, en krompen vervolgens ineen tot het haast onhoorbare, metaalachtige getinkel van water in een glas. Ik wist dat ik op mijn rug in het gras lag; ik voelde de sprieten in mijn nek. Ik staarde naar de lucht en ik kon me niet bewegen”. Zo beschreef Denton Welch zijn ervaringen van dat afschuwelijke moment, in het postuum verschenen boek ‘A voice through a cloud’ in de vertaling van Stella Bromet. Dit bij Uitgeverij BZZZTôH verschenen werk is het enige deel uit het oeuvre van Welch dat in het Nederlands is vertaald. Denton Welch verhaalt daarin zijn belevenissen in het ziekenhuis waar hij was overgeleverd aan artsen en verpleegsters in een sfeer die nog het meest doet denken aan de door Dennis Potter geschreven tv serie: The Singing Detective. Denton had tal van botbreuken, zijn huid was op veel plaatsen geschaafd en verwond. Zijn nieren waren ernstig beschadigd even als zijn rugwervels. Hij moest de rest van zijn leven een katheter  dragen. Op latere leeftijd tastten tbc bacteriën zijn beschadigde wervels aan, een vorm van de zeer pijnlijke wervelkolom tuberculose waardoor de wervels inzakken en de patiënt een kromme rug krijgt. Denton Welch leed de rest van zijn leven aan de gevolgen van het ongeluk en stierf daaraan tenslotte op 33jarige leeftijd. Niettemin werkte hij voortdurend aan zijn oeuvre van korte verhalen, dagboeknotities en enkele romans. Hoewel hij aanvankelijk van plan was om kunstschilder te worden, heeft Welch vooral naam gemaakt als schrijver. Hij werd de hemel ingeprezen door auteurs van zijn tijd zoals Edith Sitwell, Willem S. Borroughs en W.H. Auden. Zijn boeken werden populair in Engeland en Amerika. Op dit moment is sprake van een oplevende belangstelling voor het fijnzinnige werk van Welch, Er is zelfs sprake van een ‘cult’. Zijn voor het merendeel autobiografische boeken en bundels korte verhalen zijn opnieuw uitgegeven. Fans geven grote bedragen voor zeldzame eerste drukken van zijn werk. In Nederland is Denton Welch niet of nauwelijks bekend. Reden voor een poging deze interessante auteur onder de aandacht te brengen

Maurice Denton Welch werd geboren in Sjanghai op 29 maart 1915. Hij werd Denton genoemd naar zijn Amerikaanse grootmoeder. Zijn vader was een zakenman in de stad die toen als financieel centrum van Azië haar hoogtepunt bereikte. Er woonden ca 650.000 mensen. De Amerikanen en Engelsen hadden er een machtspositie verworven. Sedert de vrede met China hadden ook Japanse zakenlui er kantoren. De stad bruiste van energie. De rijken namen deel aan een mondain uitgaansleven met exclusieve party’s, diners en high teas in de vele restaurants en bezochten regelmatig de paardenraces. De welgestelde ouders van Denton namen intensief deel aan deze wereld. Denton was de jongste van vier zoons. Bill, de oudste, was een robuuste sportman. Een tweede kind stierf jong. Paul was twee jaar ouder dan Denton, met hem had hij veel contact. Denton was een in zichzelf gekeerd kind, dat zijn grootste vreugde vond in het spelen met de juwelen van zijn moeder. Een bezoek aan een kermis was aan hem niet besteed. Hij huilde van angst bij al die kleuren en dat lawaai. Liever zocht hij schelpen of mooie steentjes op een stil strand. Hij was de lieveling van zijn moeder die hem meenam op haar reizen naar Engeland en Amerika, een leven in hotels en op luxe passagiersschepen. Met zijn vader had Denton nauwelijks contact. Een enkel zinnetje is typerend voor de verhouding vader-zoon zoals in “The coffin on the hill”, één van Dentons beroemdste korte verhalen. De kleine Denton ging mee met een boottochtje over de Yangtze, waartoe een luxe boot met personeel en al was gehuurd. Denton verkeerde in grote opwinding. Toen het bedtijd was, ging hij naar zijn hut. In het verhaal schrijft hij hierover: “Ik zei welterusten tegen mijn vader zonder hem een kus te geven en ging alleen naar beneden”. Het was een enorme slag voor Denton toen hij op elfjarige leeftijd zijn moeder, die leed aan een nierziekte, verloor. Zijn vader stuurde hem naar een school in Engeland. Een ramp voor het in zichzelf gekeerde kind, dat het leven temidden van rumoerige pubers in een school met uniformen en strakke regels niet kon uitstaan. Kort na zijn zestiende verjaardag kwam Denton tot een daad, die helemaal niet paste bij zijn karakter. Hij liep weg van school. Een vorm van verzet die de stille jongen plotseling tot held van de school maakte, zoals hij later uitvoerig beschreef. 

Shanghai

Zijn vader zag geen andere oplossing dan zijn zoon naar China te halen. Er was inmiddels veel veranderd. China was sedert enkele jaren een Volksrepubliek. De spanningen met Japan groeiden met de dag en leidden in 1932 zelfs tot een bombardement van Shanghai door de Japanners die zich ergerden aan de studentenrellen als protest tegen de invallen in Mantsjoerije. De Europeanen leken zich van dat alles niet veel aan te trekken. Zij dreven handel zoals voorheen en besteedden veel aandacht aan hun mondaine leven. De opgroeiende Denton werd uitgenodigd op wonderlijke feestjes, waar hij groot vermaak vond in verkleedpartijen. Zijn grote wens was kunstschilder te worden. Zijn vader stuurde hem tenslotte terug naar Engeland waar hij onder de hoede kwam van Evelyn Sinclair, een huishoudster die hem het grootste deel van zijn leven trouw zou blijven. Denton werd student aan het gerenommeerde Goldsmith College. Hij had het er zeer naar zijn zin en bleek over een aardig talent te beschikken. Zijn medestudenten giechelden om de extra vagante manier waarop hij zich kleedde en gedroeg. Zij noemden hem spottend een kwaadaardige versie van Little Lord Fauntleroy. Denton was financieel onafhankelijk. Hij erfde bezittingen van zijn moeder in Maleisië en ontving een maandelijkse toelage van zijn vader. Met “Evie”Sinclair betrok hij een nieuw onderkomen dat hij volpropte met zijn schatten: antiek dat hij op de kop had getikt en zilver en porselein uit het familiebezit. Het liefst trok  Denton zich terug op een eenzame plek voor een picknick. Het was op één van die momenten dat hij ontdekte meer vreugde te vinden in schrijven dan in schilderen. Hij maakte zijn eerste notities, begon aan zijn jeugdherinneringen, schetste korte verhalen en schreef regelmatig in zijn dagboek. Toen kwam het vreselijke ongeluk dat zijn leven totaal op zijn kop zette. Denton herstelde langzaam in een ziekenhuis op de mannenzaal, temidden van stervenden en idioten. Hij onderging gelaten de vaak weinig zachtzinnige onderzoeken en de voor hem zo genante hulp van doorgewinterde verpleegsters. De overplaatsing maanden later naar een verpleeghuis waar hij een begripvolle arts ontmoette die hem af en toe meenam uit de ziekenhuissfeer was een verbetering.  

Folly

Eindelijk was hij voldoende hersteld om weer zelfstandig te wonen met zijn trouwe huishoudster Evelyn. De oorlog maakte het niet makkelijk om voor de kunst te leven. Dentons vader overleed in 1942. Hij bleek al zijn geld aan zijn tweede vrouw te hebben nagelaten. De bezittingen in Maleisië waren door de omstandigheden waardeloos. Denton leefde van een minimum. Ondanks zijn slechte gezondheid schreef hij elke morgen in bed enkele uren lang. Daarnaast maakte hij tekeningen en schilderijen, een enkele keer in opdracht. Een keukenbrandje beroofde hem van zijn familiezilver en – porselein. Met Evie verhuisde hij naar een optrekje van enkele vierkante meters boven een garage. Een soort ‘folly’ met hoge gothische ramen. Gelukkig was bij de brand niet het portret verloren gegaan dat Welch juist had voltooid. Het betrof een schilderij van Lord Berners naar een foto uit diens jeugd. Berners was een telg uit een eeuwenoud aristocratisch Engels geslacht. Hij werd door de biograaf Marc Armory, de ‘Last Eccentric’ genoemd. Berners schilderde, componeerde en schreef verhalen. In zijn onder de titel First Childhood verschenen jeugdherinneringen stond een foto van de kleine lord op achtjarige leeftijd, verkleed als een soort Robinson Crusoë met een papegaai op zijn schouder. Denton was bijzonder gecharmeerd van de foto en hij maakte er een schilderij van. Het leek hem niet slecht voor zijn carrière om het doek onder de aandacht van Berners te brengen. Hij schreef hem een brief waarop een positieve reactie volgde. De lord was nieuwsgierig naar het schilderij hoewel hij spijtig opmerkte dat zijn overvloedige haardos zoals op de foto hem grotendeels was ontvallen. Denton ging vol goede hoop op reis naar Oxford, waar hij zijn intrek nam in het nog steeds bestaande Randolph Hotel, eigenlijk boven zijn stand gezien zijn financiële omstandigheden van dat moment. Er vond een merkwaardige ontmoeting plaats. De timide Berners staarde lange tijd naar het schilderij en maakte enkele opmerkingen over details. De introverte Denton wist niet hoe hij het schilderij moest aanprijzen en verkopen. Na drie kwartier stond Berners op, keek rond in de kamer en maakte een reeks opmerkingen over het voortreffelijke sanitair in het hotel. Toen vertrok hij zonder het schilderij te kopen. Denton liet het schilderij achter bij vrienden en reisde ontgoocheld naar huis. Om aan de kost te komen schreef hij korte verhalen en werkte daarnaast aan zijn eerste boek.  

Succes

De gezaghebbende schrijver en criticus Herbert Read was geïnteresseerd in de uitgave van Dentons  ‘Maiden Voyage’, een autobiografie over de periode vanaf het moment dat Denton wegliep van school, tot zijn reis naar China. Tijdens de voorbereidingen van de uitgave, las Edith Sitwell toevallig een verhaal van Denton in het tijdschrift Horizon. Ze herkende onmiddellijk het schrijverstalent. Ze nam contact op met Denton en schreef uiteindelijk het voorwoord voor ‘Maiden Voyage’, het boek werd een enorm succes. De eerste druk was binnen de kortste keren uitverkocht. Een tweede druk volgde en Denton werkte tussen het schrijven van korte verhalen en de notities in zijn dagboeken aan zijn tweede boek: ‘In Youth Is Pleasure’. De uitgever had moeite met alweer een autobiografie. Maar de lezers konden niet wachten. Een jaar later verscheen het boek. Ondertussen ging de gezondheid van Denton gestaag achteruit. Hij werd geplaagd door aanvallen van migraine, had voortdurend last van zijn rug, zijn bloeddruk was veel te hoog, zijn nieren functioneerden slecht. Het schrijven kostte hem veel inspanning. Alles schreef hij  met de pen, maakte handgeschreven copieën en liet die uittypen. Af en toe ontving hij bezoek, soms vanuit zijn bed. Denton wond zich dan teveel op, met koortsige wangen voerde hij met zijn schrille stem het hoogste woord. De bezoekers verbaasden zich over de kleine ruimte volgestouwd met zorgvuldig op elkaar afgestemd antiek en bric-à-brac.  De befaamde Engelse biograaf Hector Bolitho beschreef het verblijf van Denton na een bezoek als volgt: “Er stond een onvoltooid portret op een ezel. Kwasten lagen in een nette rij op een tafel; naast het bed een keurige stapel boeken, en een tafeltje met inlegwerk, alles zo dicht op elkaar dat ik mij Denton Welch kon voorstellen, schilderend, lezend, schrijvend, spelend op het spinet en etend. Dat alles op een oppervlakte van enkele vierkante meters. Hoewel hij in de tuin kon wandelen, en iedere dag een poosje werkte aan één van zijn taken, bracht hij de meeste tijd door in bed in dat volgestouwde kamertje. Men proefde er iets van de claustrofobie in zijn leven en de zelfbespiegeling waartoe men werd gedwongen binnen zo’n eng levenspatroon”.  Denton correspondeerde met tal van vrienden onder wie Noël Adenay, de vrouw van Bernard Adenay, oprichter van de nog altijd bloeiende ‘London Group’. Noël had al in 1940 een keer met een wederzijdse vriend thee gedronken bij Denton, maar ze raakte pas werkelijk in hem geïnteresseerd toen hij na zijn eerste publicaties werd bewierookt door Edith Sitwell. In de loop van de jaren schreef Denton haar meer dan 130 brieven. Adenay bemoederde en betuttelde hem zozeer dat het Welch soms benauwde.  

Jaloezie

De vrouw werd dol van jaloezie toen Welch een jongeman ontmoette waardoor zijn leven op slag veranderde. Het was november 1943. Denton was zieker dan ooit en kwam bijna zijn bed niet meer ooit. Een excentrieke vriend zocht hem op, vergezeld van een jonge landarbeider met de naam Eric Oliver. Eric was in alles het tegenovergestelde van Denton. Hij had nauwelijks de lagere school doorlopen, was een overtuigd dienstweigeraar, hij werkte op het land in een vorm van vervangende dienstplicht, dronk meer dan goed voor hem was en blaakte van gezondheid. Hij hield niet van zachte heelmeesters en pakte Denton stevig aan. “Je moet er uit, niet in bed blijven liggen, ga mee naar de pub”. Denton liet zich overtuigen en kwam uit bed, zo slap als hij zich voelde. Er volgde een hectische tijd. Denton werd stapel verliefd op Eric die spoedig zijn intrek bij hem nam, hoewel er van diens kant van niet meer dan vriendschap sprake was. Denton kwam uit zijn isolement, hij kocht zelfs een autootje en het stel maakte tochtjes in de omgeving en ontving vrienden. Het onderkomen van de twee werd te benauwd, bovendien ergerde Denton zich aan de nieuwsgierigheid van de buren. Hij smeekte Noël om een deel van haar fraaie zomerhuis “Middle Orchard in Crouch aan hem te verhuren. Denton zou er de laatste jaren van zijn leven doorbrengen. Onder de titel ‘Brave and Cruel’, verscheen in 1948 een bundel verhalen. Op 30 december van dat jaar stierf de uitgeputte Denton in de armen van zijn vriend Eric. Naast hem lag het onvoltooide manuscript van ‘A Voice through the cloud’, de beschrijving van zijn korte en moeizame leven. Eric liet de afhandeling van de literaire erfenis van Welch over aan de bekende criticus Robert Lehmann, die tot zijn verbijstering jaren later in een lade van een aan hem toevertrouwde kast een urn met de as van Denton aantrof. Na de dood van Denton Welch verschenen behalve het onvoltooide boek over zijn leven, zijn journalen, resterende verhalen en gedichten met daaraan toegevoegd afbeeldingen van recente schilderijen. Eric eindigde zijn leven in grote armoede. Hij viel dood op straat op 1 april van het jaar 1995. Tussen een heleboel rommel werden onder een kussen in zijn woonkamertje 42 brieven van Denton gevonden. Denton Welch is het mooiste wat mij in mijn leven is overkomen beweerde hij aan het eind van zijn leven. Noël Adenay publiceerde in 1956 een sleutelroman over het leven van Welch, waarbij zij gretig putte uit de tientallen brieven van hem. Op verzoek van de uitgever voerde zij Eric op als een vrouw, in de vorm van een venijnige straatmeid. Als titel stal zij de laatste woorden van Emily Brontë: “No coward soul (is mine)”. Het roddelboekje had geen enkele literaire waarde, maar is een collectors item voor de bewonderaars van Denton Welch, en daarvan zijn er nog altijd veel.                                                                                                                                                                                                      

'THOMAS MANN en de jongens in DOOD IN VENETIË'

In 2010 was het 150 jaar geleden dat Gustav Mahler werd geboren. In 2011 werd zijn 150ste sterfdag herdacht.  Het is dan eveneens een eeuw geleden dat Thomas Mann zijn bijzondere ervaringen in Venetië vorm gaf. Op zijn schrijftafel lag een krantenknipsel met een foto van Gustav Mahler, een goede bekende van Mann. Het is weinig bekend dat de stervende Mahler model stond voor de hoofdpersoon in ‘Dood in Venetië’.


 De verliefde Goethe

Eigenlijk wilde Thomas Mann over Goethes laatste liefde schrijven: De doldwaze affectie van een 72 jarige man voor de 17 jarige Ulrike von Levetzow, die hij twee jaar later zelfs officieel ten huwelijk zou vragen. “Das Fräulein hätte noch keine Lust zu heiraten”, was het diplomatieke antwoord en Goethe die niet gewend was om afgewezen te worden, wentelde zich in zelfbeklag en gaf dat vorm in zijn ‘Marienbader Elegie’. Mann bestudeerde grondig alles wat hij kon vinden over de zozeer door hem bewonderde Goethe en zijn wanhopige verliefdheid, maar hij kwam niet tot schrijven. Het was het jaar 1911. Thomas Mann was midden dertig. Hij had naam gemaakt met zijn Buddenbrooks, bewonderde de Duitse literatuur, was een Wagner fanaat en aanbad Goethe. Pas in 1939 zou hij in staat zijn om “Lotte in Weimar”aan het papier toe te vertrouwen. Hij voelde zich dat voorjaar erg vermoeid. Zijn oude kwalen - hoofd- en maagpijn -  deden zich gelden, de zelfmoord van zijn zuster Clara een jaar daarvoor liet hem niet los. Hij besloot in te gaan op de vele verzoeken om lezingen te houden en organiseerde een tournee: om zijn zinnen te verzetten, om inspiratie op te doen, om waardering te oogsten.  Een uitstapje  De succesvolle reeks spreekbeurten putte hem zozeer uit dat zijn vrouw Katia en zijn broer Heinrich hem zo ver kregen dat een vakantie werd uitgestippeld, naar een eilandje voor de Dalmatische kust. Het werd een mislukking. Het weer was slecht en zandstranden ontbraken. De plannen werden gewijzigd. Het drietal scheepte zich in met als bestemming het door Thomas Mann zo geliefde Venetië. Daar voltrok zich een aantal opmerkelijke gebeurtenissen. Aan boord bevond zich een hilarisch gezelschap bestaande uit een oude zwaar geschminkte fat omringd door uitbundige jongelui. Een gondelier zonder vergunning bracht hen naar het chique Hotel des Bains aan het Lido, waarop de man er bij het zien van politie vandoor ging zonder zijn betaling af te wachten. Het verblijf werd korte tijd onderbroken vanwege het gezeur van Heinrich die zich verveelde, constant aan hoofdpijn leed en naar de bergen wilde. Na een uitstapje naar een slecht hotel keerde het drietal tot genoegen van Thomas terug in Venetië. Men genoot van een optreden van een groepje straatzangers en ontvluchtte uiteindelijk het hotel vanwege geruchten over de uitbraak van cholera in de stad.

 Het Poolse knaapje

Allemaal weinig belangrijke zaken, ware het niet dat de voorvallen stuk voor stuk terug keren in het meesterwerkje van Thomas Mann:  “Dood in Venetië”. De belangrijkste gebeurtenis voor Mann was namelijk de ontmoeting met, of liever gezegd de dagelijkse aanblik van een Poolse puber in een matrozenpakje. Foto’s van de knaap tonen een weinig opvallend ventje, maar het moet een levendige jongen zijn geweest met kokette maniertjes, blonde krullen en felblauwe ogen. Ieder was gecharmeerd van de dandy in de dop, die een keer zo laat mogelijk voor het diner de trap afdaalde om zijn nieuwe glanzende schoenen te tonen. Mann was gebiologeerd door Tadzio zoals de jongen scheen te heten. Later zou hij tegenover een criticus afstand nemen van zijn platonische “Knabenliebe”, zijn bewondering zou een metafoor zijn, een opmaat naar zijn boek over de onmogelijke verliefdheid van Goethe, beweerde hij. Maar na zijn dood zou uit zijn brieven en dagboeken en de uitlatingen op hoge leeftijd van zijn vrouw Katia blijken, dat Thomas Mann wel degelijk gebiologeerd was door de jongen. De dagelijkse bewondering en de vluchtige oogcontacten kwamen tot een abrupt einde met het vertrek vanwege de cholera. De jongen bleef in de gedachten van Mann rond dwalen. Hij werkte een jaar aan een verhaal over de ontmoeting, waarbij hij exact de voorvallen weergaf die hij had beleefd. Het was bekend dat Mann graag gebeurtenissen en personen uit de werkelijkheid gebruikte in zijn boeken, vaak in een mengvorm, waarbij eigenschappen van verschillende personen werden samengevoegd tot één karakter. Bij de beschrijvingen in ‘Dood in Venetië’ is alleen de hoofdpersoon Gustav Aschenbach ontstaan uit zo’n mengvorm.


 Gustav Mahler

In het doen en laten van Aschenbach herkent de lezer veel van Thomas Mann: Zijn dagelijkse routine van drie uur schrijven in de morgen, zijn middagdutje gevolgd door een wandeling, zijn plannen om ooit een boek te schrijven over Frederik II van Pruisen. Maar in zijn beschrijving van de hoofdpersoon had Mann, Gustav Mahler voor ogen. De toen 51 jarige Mahler leed aan bacteriële endocarditus, een infectie waardoor zijn hartkleppen werden aangetast, een in die tijd vrijwel ongeneeslijke kwaal. De kranten kwamen voortdurend met communiqués  over de toestand van de componist en dirigent, die kort daarvoor triomfen had gevierd in New York. Mann volgde de berichten op de voet. Hij kende Mahler persoonlijk en bewonderde hem zeer. Mahler kwam al over de vloer bij zijn schoonouders en behoorde later tot de kring van kunstenaars die in hun huis in München regelmatig door Thomas en Katia werden ontvangen, onder meer bij de premiëre van de Achtste Symfonie in München. Het sterfbed van Mahler paste geheel bij de preoccupatie van Mann met de dood in die periode. De Aschenbach in het verhaal stierf evenals Mahler. Mann kwam tot een afronding van de novelle in de tijd dat Katia werd opgenomen voor een kuur in Davos, toen haar longklachten meer en meer op een beginvorm van tuberculose gingen lijken. Haar verblijf in de bergen zou later leiden tot Manns grootste meesterwerk: De Toverberg. Het was de bedoeling van Mann dat ‘Dood in Venetië’ niet meer dan een bibliofiele uitgave zou worden, in hooguit honderd exemplaren, uitgegeven bij de in dergelijke drukken gespecialiseerde uitgever Hesperion en niet bij Sam Fischer die gewoonlijk het werk van Mann uitgaf. Het boekje werd een wereldsucces.

Visconti's Dood in Venetië inspireerde dichters, schrijvers, componisten en filmmakers. Benjamin Britten maakte zijn opera in twee bedrijven, waarin de rol van Tadzio voornamelijk uit ballet bestaat. Het bekendst werd de verbeelding in de prachtige film van Luchino Visconti. De beroemde regisseur werd gefascineerd door het verhaal. Hij castte Dirk Bogarde als een Aschenbach die sterk aan Mann deed denken. Voor de jongen ging hij uitvoerig op zoek en vond tenslotte de sensuele Zweedse zestienjarige Björn Andresen. Björn die een ongelukkige jeugd achter zich had met een vader die hij nooit gekend had en een moeder die zelfmoord pleegde was aanvankelijk heel blij met het succes. Van de vijfduizend dollar die de film hem opleverde kocht hij een elektrische piano. Zijn levensloop daarna verliep niet bijster gelukkig. Verdere successen bleven uit. Hij trouwde, kreeg twee kinderen, waarvan er één stierf na negen maanden waarna zijn huwelijk geen stand hield. Het feit dat hij tot een soort cultfiguur werd in de homoseksuele wereld beviel hem slecht. Hij was hevig verontwaardigd toen Germaine Greer een foto van hem als Tadzio zonder zijn toestemming gebruikte voor haar boek : “The beautifull boy”.  De Poolse baron

Tadzio

De echte Tadzio liet ook van zich horen toen de Poolse vertaling van Dood in Venetië uitkwam. Baron Wladyslaw Moes werd door een neef attent gemaakt op het verhaal.  Wladyslaw, Adzio voor intimi, herkende tot zijn verbazing, zichzelf, zijn moeder, zijn zusjes en de gebeurtenissen in het hotel en aan het strand en de oudere heer die hem constant aangaapte. Hij was zeer geamuseerd en stuurde jaren later een brief aan Erica, de dochter van Thomas. Adzio had een roerig leven met twee oorlogen waarbij hij dienst deed in het Poolse leger, gevolgd door de knoet van het communisme waarbij aristocraten hun geld, grond, titel en waardigheid werden ontnomen. Hij stief op hoge leeftijd in Parijs bij zijn dochter. Tot het eind van zijn leven punctueel en modieus gekleed zoals in de tijd dat hij in zijn smetteloos matrozenpakje met glimmend gepoetste schoenen de trap afhuppelde van het Grand Hotel in Venetië om voor de rest van diens leven in het geheugen van Thomas Mann gegrift te zijn en aanleiding gaf tot een boekje dat voor velen het bekendste werk is uit het oeuvre van de schrijver van  de Buddenbrooks en de Toverberg.