SLAVERNIJ 

 In 1988 heb ik bij het verschijnen van mijn boekje ‘Zout en Slaven’, in het Westfries Museum, waar ik toen directeur was, een tentoonstelling georganiseerd over de West Indische Compagnie en de handel in slaven, zout en suiker. Zakelijk gezien was de compagnie, in tegenstelling tot de VOC, een totale mislukking. De WIC ging al in 1636 bankroet, want de kosten overstegen vele malen de baten. Wat bleef was het kopen en houden van slaven, zonder welke plantages in Suriname, Pernambuco en de Caraïben niet konden bestaan. Een zwarte bladzij uit de geschiedenis. Een kleine groep Zeeuwse en Amsterdamse kooplui hebben daar gruwelijk veel geld aan verdiend, getuige hun grachtenpanden en kunstcollecties. Een afschuwelijke en mensonterende situatie, die overigens niet beperkt was tot Nederland. Slavernij was vanouds een begrip in de Arabische en Afrikaanse wereld. Marokkanen veroverden Hollandse handelsschepen en namen de zeelui gevangen. In de kerken werd driftig gecollecteerd om hen vrij te kopen, anders werden ze verkocht als slaven. De Turken roofden jongens uit Christelijke gezinnen, voornamelijk op de Balkan, dwongen hen, zich tot de Islam te bekeren en trainden hen als soldaten voor onder meer het corps Janitsaren. En zo zijn er veel voorbeelden te noemen. Op dit moment worden er grote tentoonstellingen over slavernij voorbereid, onder meer in het Rijksmuseum (2020). Wat mij ergert is de houding in de media van mensen wier voorouders afkomstig zijn uit landen in Zuid-Amerika en Afrika en die verwijtend zeggen, jullie Nederlanders hebben ons veel leed aangedaan, daar moet nu genoegdoening voor komen. Ik pik dat niet langer. Mijn voorouders hadden niets met slavernij te maken en dat geldt voor de meeste Nederlanders. Natuurlijk, er waren gewetenloze kooplui, scrupuleuze graaiers en gewetenloze bankiers. Die zijn er nog steeds. Maar de Nederlanders in het algemeen stammen af van textielarbeiders die zwoegden in de fabrieken, arme boeren, turfstekers in het veen, sappelende ambachtslui, soldaten die hokten op het koedek diep beneden in de VOC schepen, vissers die iedere dag hun leven waagden op zee enz. Het is goed om een misstand als slavenhandel te belichten in programma’s en  tentoonstellingen, maar niet als verwijt aan de huidige generatie, want dat zal alleen maar tot ergernis leiden en zeker niet tot begrip.

 ‘Een goed idee heeft vele vaders’

HET ONTSTAAN VAN DE MUSEUMKAART (VOORHEEN MUSEUM JAARKAART)

Telkens weer duiken verhalen op van personen die pretenderen de succesvolle kaart te hebben bedacht. Tijd om eens op te schrijven hoe het werkelijk is gegaan. Ik doe dat vooral ter herinnering aan de in 2010 overleden Dr. G.D. (Ger) van Wengen, die zowel in Nederland als internationaal zo veel heeft gedaan voor het educatieve werk in de musea. Ergens eind jaren zeventig werd in Rotterdam een congres gehouden van de educatieve afdeling van het International Council of Museum (ICOM) in Rotterdam. Tijdens dat congres zaten Ger en ik te praten met twee stoere Russische dames, oud-verzetsheldinnen die waren beloond met een overheidsbaan als conservator in een museum. Ik vertelde dat de musea in Rotterdam gratis waren, maar dat daar helaas een eind aan dreigde te komen. ‘Dat is eenvoudig op te lossen’, baste de Russin. ‘Je maakte een kaart die de mensen kunnen kopen en die toegang geeft tot de deelnemende musea. Je trekt de kosten eraf en verdeelt de rest naar rato onder de deelnemende musea’. Ger en ik keken elkaar aan en het kwartje viel. Ger kaartte het voorstel aan in de museumvereniging en Udo Vroom, toenmalig directeur van het Zuiderzeemuseum, destijds in opbouw, liet weten dat hij wel een kamertje vrij had. Ger en ik reisden naar Enkhuizen en de zaak ging van start. Er werd een stichting in het leven geroepen met de bedoeling de kaart zelfstandig te laten opereren en niet als onderdeel van de museumvereniging. Na enige tijd werd voor de snel groeiende jaarkaart een grotere ruimte gehuurd aan de Binnenluiendijk in Hoorn en daarna werd de kaart gehuisvest aan de Groenhazengracht in Leiden. Ger en ik zaten in het bestuur. (Ik ben enkele jaren voorzitter geweest). We probeerden de kosten zo laag mogelijk te houden om zoveel mogelijk aan de musea uit te kunnen keren. Het bureau stond onder de bezielende leiding van directeur Frans Verbaas en een kleine staf medewerkers. Elk jaar in december werd de kaart voor het nieuwe jaar gelanceerd. Verbaas zag telkens weer kans een spectaculair gebeuren te organiseren bij het verschijnen van de nieuwe kaart. Dick Koger, directeur van de Staatsuitgeverij en mede bestuurslid van de jaarkaart kwam met het idee voor een museumtijdschrift. Het blad verscheen onder de naam Vitrine, samen met producer Han Peekel heb ik enkele tv afleveringen gemaakt onder die naam. Van het blad  ben ik tien jaar hoofdredacteur geweest. Toen de Staatsuitgeverij een aantal activiteiten ging afbouwen, is het blad overgenomen door uitgever Wim Waanders en verder gegaan als Museumtijdschrift. De jaarkaart heeft helaas de door mij bevochten zelfstandigheid verloren en is onderdeel geworden van de museumvereniging. Zo is het gegaan en niet anders. Inmiddels verheug ik mij over het enorme succes van de museumkaart.        

KLIMAATPOT

 Op 3 mei 2017 las ik tot mijn grote genoegen een column van Leon de Winter over de klimaatgekte, waarin hij op zijn bekende goed gedocumenteerde manier grote vraagtekens zette bij beweringen van klimaatdeskundigen. Dezelfde dag zag ik in het NOS journaal een groepje 'captains of industry', in dikke jassen op Spitsbergen. Onder meer een baas van de spoorwegen, een bedrijf dat het maar niet voor elkaar krijgt om de treinen op tijd te laten rijden, niet bij mooi droog weer en zeker niet als er blaadjes of sneeuwvlokken op de rails vallen, verder een directielid van de NAM, waar de ingenieurs maar niet begrijpen dat de bodem gaat zakken als je tientallen jaren gas wegpompt en als klap op de vuurpijl een bankdirecteur van de ING die meedeelde dat het over een paar jaar wel heel moeilijk gaat worden om een hypotheek te krijgen voor gebouwen die niet optimaal geïsoleerd zijn. De heren trokken zorgelijke gezichten en ik moest direct denken aan het oude spreekwoord: 'Als de vos de passie preekt, boer pas op je kippen' en dacht hoeveel de captains hoopten te likken uit de vele miljarden bevattende klimaatpot. Inmiddels is het mei en ondanks de 'opwarming van de aarde', brandt mijn kachel nog iedere dag

DE BOEVEN VAN HET ABP

Vandaag, 3 januari 2017, ontving ik van het ABP een bericht, dat mijn pensioen in dit jaar niet zal worden gekort. Dank je de koekoek! Gedurende mijn ambtelijk bestaan van 43 jaar werd mij voortdurend voorgehouden dat mijn salaris bescheiden bleef, maar dat na mijn pensioen een waardevast te indexeren pensioen wachtte. Ik ben nu negen jaar met pensioen en al ruim 12% achterop. Van de beloftes is niets terecht gekomen. Toen de regering tijdens het kabinet Lubbers miljoenen uit de pensioenpot graaide, heb ik verontrust contact opgenomen met het ABP. Ik werd uitgelachen met de woorden, maak u geen zorgen, al worden alle ambtenaren honderd jaar, er is geld genoeg en dat was ook zo. De pensioenpot is nu vetter dan ooit, ondanks de hoge salarissen van de medewerkers bij het ABP en de enorme kosten aan veelal weinig bekwame adviseurs. De farizeeers in Brussel kijken vol begeerte naar het pensioengeld. Heel Europa laat zich ringeloren door een Italiaanse bankier die een onnatuurlijke lage rente heeft ingesteld. De regering komt met een eigenaardige rekenvorm, onder toezicht van de Nederlandse Bank, waardoor de pensioenfondsen niet aan hun verplichtingen kunnen voldoen. Het ABP en het kabinet geven elkaar de schuld. Gelukkig heb ik mij altijd financieel weten te redden, maar het geeft een uiterst onplezierig gevoel om door een respectabel fonds, de ooit betrouwbare banken en een brave regering ronduit belazerd te worden.